Why I Blog

People often don’t know I  have this blog. It’s only when I tell them or when they see my posts through social media that they know. It seems weird to me, seeing as to me it’s a relatively big part of my daily life. I’m always surprised the word “hobby blogger” isn’t written on my forehead somehow. But anyways, I love to blog and here’s why.

Firstly, writing is my number one creative outlet. I love to juggle with words and to carefully consider what to put where. I love that you can rearrange and change your mind. My blog is a space that allows me te be or do whatever I want to. It could be poetry one day, it can be a lifestyle or fashion related items the next. My mood constantly changes and I thoroughly enjoy that my blog can change with me.

Secondly, it’s a fantastic way to look back on things. Sometimes when I’m not really feeling it, I scroll through my own Instagram and blog and think: wow, I’ve done so much in the past few months or years. I’m always stunned at how many good moments there have been. It’s a great way to keep those memories safely stowed and always at hand to cheer me up.

Finally, this blog gives me a platform to straighten my thoughts, to make lists, to get out there what I feel needs to be heard or simply be said, whether it’s being read or not. It’s how I structure the dreamy, emotional and creative part of my brain. What’s even better is that this part gets to interact with people; there’s nothing more fun than seeing someone like or reblog a post and reply to comments. It’s the best feeling to see that a blog post doesn’t just end with the reader, it’s only the starting point of a discussion.

So, that’s why I blog. No matter the time or effort, I’m determined to keep this blog going and I’m excited to see how it evolves as I grow.

18248b639c263abd94f31fea3cda8c74.jpg
© Lotta from Stockholm

A fall breeze swept away more than I anticipated

It’s funny how you don’t see the falling of the leaves

but the barrenness of the trees surprises

It’s funny how you don’t see the light slipping away

but yet you notice the darkness of the hour

It’s funny how you don’t observe the days getting shorter

but evenings have never felt so long

It’s funny how you don’t notice the first moment you put on a scarf

until you feel the sudden chill creeping up your spine

It’s funny, the way the colours evolve,

the seasons change,

and time slipping away,

slowly

It’s funny, how life catches up with you

While you are doing dishes and deciding what to have for dinner

While making lunch boxes and booking summer holidays

While riding trains and making ways through crowds

While folding laundry and putting memories in boxes

It’s funny, this whole ticking of the time

The way life just

happens

bfffdaaae051a3865d470c1df2c1fcb0

Brussel – tram 92

Ik kijk naar buiten en zie de wereld aan mij voorbijgaan. Letterlijk. De gebouwen schuiven van links naar rechts. Paleizen, dronkemanshuisjes, bakkerszaken, kleine kruidenierswinkels, gigantische herenhuizen. De stad is van iedereen. Mijn ogen voelen zwaar, en als ik niet oplet knijp ik de gebouwen plat tot spleetjes. Er wordt in mijn arm gepord. Een klein vingertje duwt putjes in mijn arm. Twee kleine grote bruine ogen turen me aan. “Tu sais parler?” Of ik praten kan. Het meisje heeft wat weg van een indiaantje, met haar twee vlechtjes en roze bolle wangetjes. Ze kirt van opwinding. “Tu sais parleeeer?”, vraagt ze opnieuw, deze keer met nadruk, en ze blijft me met nieuwsgierige ogen aankijken. “Oui” is alles dat ik uitkraam. Mijn Frans is niet zo goed. En toch, ja, ik kan praten. Als ik kon zou ik een grapje maken, maar mijn glimlach en éénwoordig antwoord lijken voldoende. De twee vlechtjes zijn tevreden. Ze port haar broertje aan, voor wie het niet zoveel lijkt uit te maken of ik dan wel kan praten of niet. Maar wanneer het meisje met de vlechtjes bevestigend knikt naar de jongen en zegt “Elle sait parler”, glimlacht hij stilletjes en opgelucht. Ik kan praten, en toch kijk ik soms liever de kat uit de boom. Ik observeer, leer mensen kennen voor ze weten wie ik ben. Ik zwijg en luister. En soms word je dan al snel “die stille”, ofzoiets gelabeld. Maar ik kan praten. Ik gebruik mijn woorden zuinig, ik verspil geen zuurstof . Ondertussen raast de tram verder, en duikt hij de grond in. Het wordt donker. Door het raam zie ik nog net een ander metrostel. Het stijgt op. Of zo lijkt het toch, want in de donker zijn de sporen en de lucht nauwelijks te onderscheiden. Alleen het metrostel steekt felgeel af. Even waan ik me in een scene uit Harry Potter. Ik glimlach. Ik kan praten, maar soms doe ik dat gewoon liever op papier.  Mali Fisher

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

© Illustration: Mali Fischer

 

 

 

 

De egel

Mijn favoriete kortverhalenschrijver en poëet moet wel Toon Tellegen zijn. Er is niemand die zo’n zware onderwerpen zo licht kan doen lijken en voelen. Soms denk ik dat hij de enige is die de wereld een beetje begrijpt én ze kan omzetten in begrijpbare woorden en vatbare metaforen. En nog op een prachtige wijze ook. Hieronder een klein fragmentje uit Geluk bij een Ongeluk.

##

Ik wil één ding vaststellen, dacht de egel op een keer. Onomstotelijk vaststellen. Zo vaststellen dat niet het meer ongedaan kan maken. Ook niet als de olifant er precies bovenop valt, of als de neushoorn erop afstormt, of als de beer het opeet, of als de aardworm het verstopt, of als de wind het beetgrijpt en ergens wil bezorgen waar niemand woont.
Ik sla het met honderd spijkers aan mijn muur, dacht hij, en ik schrijf het op mijn spiegel, ik kras het in mijn tafel, ik snijd het in de stam van de wilg, ik roep het in een gat in de grond en maak dat gat gauw dicht zodat het daar altijd blijft hangen, ik zorg ervoor (maar hij wist nog niet hoe) dat niemand het vergeet…
Hij bedacht nog veel meer, urenlang, tot de zon onderging en het donker werd in zijn kamer.
Totdat hij niets meer kon bedenken en zachtjes bij zichzelf zei:… dat ik gelukkig ben.
Hij knikte. Hij voelde zijn wangen gloeien.
Het was stil, overal om hem heen.
Hij voelde zich plots heel eenzaam, zo eenzaam als hij zich nog nooit had gevoeld
Dat ik óók gelukkig ben, dacht hij toen.
Hij ging in bed liggen.
Dat wil ik vaststellen, dacht hij. Toen sliep hij in.

tell003lang01ill06.gif